Als archeoloog probeer je meer van de geschiedenis en het dagelijkse leven in vroegere tijden te weten te komen door overblijfselen daarvan te onderzoeken. Die overblijfselen bevinden zich meestal in de grond: potscherven, stukjes textiel, pijlpunten, zaden, stuifmeelkorrels enzovoort. Om die te verkrijgen, zet je opgravingsprojecten op. Je bent gespecialiseerd in een bepaalde periode, bijvoorbeeld de Romeinse tijd of de middeleeuwen, en daarbinnen vaak weer in een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld huizenbouw, munten of aardewerk. Je kunt op een universiteit werkzaam zijn of in dienst zijn van een museum, een gemeente of de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB).
Als je een opgravingsproject hebt bepaald (zelfstandig als je op een universiteit werkt of in overleg met je werkgever), ga je als volgt te werk. Eerst regel je het budget en probeer je subsidie te krijgen bij de overheid of bij bedrijven. Vervolgens zoek je mensen voor de uitvoerende (graaf)werkzaamheden en verdeel je als leider van het project de taken en controleer je of alles volgens plan verloopt. Je bent zelf voornamelijk bezig met het onderzoek van de resultaten. Je beschrijft de gevonden voorwerpen nauwkeurig en onderzoekt de ouderdom, vaak in een laboratorium met een microscoop, pincetten en allerlei apparatuur of met chemicaliën. Dergelijk onderzoek kun je ook laten uitvoeren door biologen, geologen of andere specialisten. Verder maak je foto's of tekeningen van de voorwerpen. Je bevindingen verwerk je meestal tot een verslag of artikel voor een vaktijdschrift of een boek. Je hebt regelmatig contact met vakcollega's.
|