Je onderzoekt en behandelt gebitten. Daarbij kijk je of je patiënten ziekten of afwijkingen hebben aan hun tanden, kiezen, tandvlees en slijmvliezen in de mondholte. Denk aan tanden die scheef staan doordat de kaak te smal is en aan ontstoken tandvlees. Je vult gaatjes, plaatst kronen en bruggen en trekt tanden en kiezen die niet meer te redden zijn. Tandartsen zijn zelfstandig ondernemer (in hun eigen praktijk of in een groepspraktijk) of werken bij de tandheelkunde-afdeling van een ziekenhuis of bij een regionale instelling voor jeugdtandverzorging. Meestal geef je leiding aan een of meer tandartsassistenten. Bij je werk heb je verder onder meer contact met huisartsen, orthodontisten en kaakchirurgen.
Als een patiënt heeft plaatsgenomen in de behandel-unit, bekijk je eerst met een speciaal spiegeltje en een 'haakje' of op röntgenfoto's of er problemen zijn. Daarna bepaal je in overleg met de patiënt welke behandeling nodig is. Je vertelt de patiënt wat er aan de hand is en wat je eraan gaat doen. Eventueel geef je een plaatselijke verdoving. Bij het vullen van gaatjes gebruik je een elektrische boor en vulmiddelen. Op zwakke tanden en kiezen plaats je kronen of bruggen. Ook zorg je ervoor dat patiënten met een kunstgebit goed kunnen kauwen. Als dat nodig is, verwijs je patiënten door naar een mondhygiënist, huisarts (sommige afwijkingen hebben oorzaken die door de huisarts moeten worden behandeld), orthodontist (voor beugels) of kaakchirurg (voor operaties). Daarnaast geef je je cliënten advies en uitleg over mondverzorging. |